In 1925 neemt ds. Postma zijn dochtertje van school vanwege een klap van een leerkracht. De heer Van Woerden, zo lezen we, zal trachten de zaak ’in der minne te schikken’.

Over “lichamelijke tuchtoefeningen” zullen hij en de heer Van der Meer van het bestuur in een gezellige samenkomst van gedachten wisselen.De volgende klap bleef gelukkig uit. Daarmee bedoelen we dat het hoofd der school beneden in het gebouw kisten met patronen (!) had gevonden. Het bleek dat de vrijwillige burgerwacht in een afgesloten gedeelte van de school haar wapenen bewaarde. “Iets wat niet zonder gevaar is”, meende de heer Van Woerden.

Overigens herbergde het souterrain van de school, naast grof geschut, ook nog de conciërge, de heer Heijtink. Hij klaagt over de slechte woonomstandigheden zo onder het maaiveld. Zijn huiskamer had hij inmiddels al af moeten staan aan de jeugd. Want er was een chronisch ruimtegebrek in die jaren.

De nieuwe tijd kondigt zich aan doordat de gemeente goedgunstig beschikt over de aanvraag voor elektrisch licht. In 1928 wordt zelfs besloten aansluiting op het telefoonnet aan te vragen. Daarmee aangevend dat een gegoede school er toch zeker wel progressieve ideeën op na houdt.